Het regeringsvoorstel om telecomproviders een bewaarplicht met een duur van achttien maanden op te leggen, stuit op bezwaar bij een deel van de Kamer. Op 20 mei moeten de Kamerleden over het voorstel stemmen.
Volgens EU-richtlijnen dienen providers van telefonie- en internetdiensten gegevens over hun klanten minimaal zes maanden te bewaren. De richtlijn voorziet ook in een maximum bewaarplicht van vierentwintig maanden. De opslag van onder meer belgegevens en websitebezoek stuit op verzet bij de SP, de PvdA, D66 en Groenlinks, die zich zorgen maken over de privacy. Bovendien trekken zij in twijfel of de gegevens de politie kunnen helpen bij het opsporen van wetsovertreders. De SP, PvdA, Groenlinks en D66 pleiten derhalve voor de minimum bewaartermijn van zes maanden; de Christenunie vindt een periode van twaalf maanden nog acceptabel.
Het CDA en de VVD steunen het voorstel van minister van Justitie Hirsch Ballin: zij vinden een bewaarplicht van achttien maanden een redelijke termijn. De CDA-minister stelt dat de gegevens pas worden opgevraagd door Justitie wanneer daar aanleiding toe is. Een bezwaar van SP en CDA is dat het relatief eenvoudig is de opslag van gegevens bij Nederlandse providers te voorkomen, bijvoorbeeld door van buitenlandse webmaildiensten gebruik te maken. Volgens Çörüz van het CDA moet Hisch Ballin die 'witte vlek' aanpakken: de minister van Justitie zegt daarover met andere EU-lidstaten te willen overleggen.
Alle fracties wilden wel weten welke extra kosten, die deels door de regering en deels door de providers zelf opgebracht moeten worden, de bewaarplicht met zich meebrengt. Staatssecretaris Heemskerk zal uitgebreider verslag van de uitgaven doen aan de Kamer, maar hij gaf voorlopig aan dat bewaarplicht-uitgaven aan beveiliging en opslag van de gegevens opgaat.