De onderhandelingen bij de World Intellectual Property Organisation, over een nieuw uitzendverdrag met extra rechten voor uitzenders, zijn mislukt. De tegenstellingen tussen de verschillende partijen bleken onoverbrugbaar.
Al tien jaar lang wordt er bij de Wipo overlegd over een verdrag, waarin radio- en televisiemaatschappijen meer rechten krijgen om tegen ongeautoriseerd gebruik van hun signalen op te treden. De eerste voorstellen werden meteen al getrakteerd op forse kritiek, omdat hierin de uitzenders een soort auteursrecht kregen op alles wat ze uitzonden, ongeacht wie het oorspronkelijke recht op het materiaal bezat. Voorvechters van consumentenrechten vonden dit veel te ver gaan, omdat hiermee ieder hergebruik van de uitzending werd verboden, ook al was dit wettelijk toegestaan. Wanneer bijvoorbeeld een televisiemaatschappij een film uit het publieke domein uit zou zenden, zou het opnemen en verspreiden van die uitzending verboden zijn, omdat de televisiemaatschappij daarop het exclusieve recht zou hebben. Uit andere bronnen zou de film overigens nog wel mogen worden gekopieerd. Geruchten dat uitzenders zich materiaal uit het publieke domein zouden kunnen toeëigenen door het simpelweg uit te zenden waren dan ook niet waar.
De extra rechten voor de uitzenders bleken desondanks voor een aantal landen totaal onaanvaardbaar; vorig jaar stapte de Wipo dan ook van deze benadering af. In plaats daarvan kwam er een verbod op signaaldiefstal, waarbij uitzenders geen extra auteursrecht kregen. Over de precieze uitwerking hiervan waren de verschillende partijen het zwaar oneens. De commissie die belast was met het opstellen van de verdragstekst moest vorige week constateren dat er geen overeenstemming te bereiken viel. Een diplomatieke conferentie aan het eind van dit jaar, waar het verdrag zou worden geratificeerd, zal waarschijnlijk niet doorgaan. Komende vrijdag zal de Wipo een officiële verklaring over het verdrag geven; dit zal er waarschijnlijk op neerkomen dat een verdrag er niet inzit. De tegenstellingen zijn zo groot, dat de meeste landen niet eens een datum willen bepalen voor nieuwe besprekingen.