Onderzoekers hebben ontdekt dat irissen, anders dan gedacht, veranderen als iemand ouder wordt. Daardoor zijn irisscanners, die onder meer bij grenscontroles worden gebruikt, minder betrouwbaar dan verwacht.
De onderzoekers van de University of Notre Dame vergeleken 20.000 afbeeldingen van 644 verschillende irissen, schrijft Nature. Bekeken werd of er verschillen waren tussen foto's die enkele maanden tot een paar jaar van elkaar werden genomen. Dat bleek zo te zijn: irissen zijn dus, anders dan werd aangenomen, wel degelijk aan veroudering onderhevig.
Dat heeft gevolgen voor de betrouwbaarheid van irisscanners. Normaliter is de kans dat een irisscanner een iris niet goed herkent één op twee miljoen. Die zogeheten false non-match-marge zou, als irissen niet zouden verouderen, gelijk moeten blijven. Dat is dus niet zo, ontdekten de onderzoekers: als twee foto's van dezelfde iris drie jaar van elkaar werden genomen, was de kans dat de iris niet werd herkend 2,5 op twee miljoen: een toename van 153 procent.
Dat is nog steeds een kleine marge, maar de onderzoekers vermoeden dat de veroudering steeds verder opstapelt; na tien jaar zou de false non-match-marge dus nog veel hoger kunnen liggen. Dat hebben ze echter niet kunnen onderzoeken: de irisfoto's die werden gebruikt voor het onderzoek werden maximaal drie jaar na elkaar genomen.
Het probleem met veroudering zou bij irisscanners kunnen worden tegengegaan door algoritmes te ontwikkelen die rekening houden met verandering en door na een bepaalde periode opnieuw een foto van iemands iris te maken.