
Links: Cheetah X15 - Rechts: Barracuda 180
Het was van meet af aan klaar dat we voor een high-end scsi-setup zouden gaan met minimaal 10.000rpm-schijven. Seagate had in juli 2000 net de eerste 15.000 toeren harddisk op de markt gebracht. De overgang van UBB naar Topix en de daardoor ontstane toename in de belasting van de database maakte duidelijk dat we voor de opslaghardware met de hoogst mogelijke (betaalbare) performance moesten gaan. Dit was mede belangrijk omdat het upgraden van de schijven op een later tijdstip een kostbare en niet-eenvoudige aangelegenheid zou zijn.

Aanvankelijk was het plan om drie Cheetah's X15 in een raid 5-configuratie te gebruiken. Toen bleek dat de raid 5-prestaties van de raid-controller beneden peil waren, werd in allerijl een vierde X15 aangerukt zodat raid 0+1 gedraaid kon worden. RAID 0+1 (striping én mirroring) is de snelst mogelijke raid-variant en garandeert na raid 6 (striping met dubbele verdeelde pariteit) de hoogst mogelijke redundancy.

Zonder controller geen raid, dus ook hier moesten de nodige keuzes gemaakt worden. Ondersteuning voor 64bit-pci was een belangrijke voorwaarde omdat we gingen werken met een moederbord dat over dergelijke sloten beschikte. Mylex en DPT waren de eerste kandidaten, maar toen bleek dat beide merken slecht leverbaar waren, werd er uitgeweken de 3200S van Adaptec. De 3200S is een dual-channel Ultra160 scsi-controller met 32MB cache, PCI-64 en een 100MHz i960RN I/O-processor. Ondanks beloftes over ondersteuning voor Red Hat lukte het niet om de controller onder Linux bruikbaar te maken. Daarom werd uitgeweken naar Freebsd 4.2.